Mirena wordt door uw arts in de baarmoeder geplaatst. Voordat Mirena bij u wordt geplaatst, verricht uw arts eerst een inwendig gynaecologisch onderzoek. Dit wordt gedaan om de grootte en ligging van de baarmoeder te bepalen en om zwangerschap en andere aandoeningen waarbij Mirena niet mag worden gebruikt, uit te sluiten. Het wordt aangeraden een Mirena te plaatsen binnen 7 dagen nadat uw menstruatie is begonnen. Als het gaat om vervanging door een nieuwe dan kan dat op ieder moment van uw menstruele cyclus. Na een bevalling wordt geadviseerd Mirena pas na 6 weken te plaatsen. Wanneer het slinken van de baarmoeder langzamer verloopt, moet worden gewacht tot 12 weken na de bevalling. Als u niet meer menstrueert en Mirena gaat gebruiken in verband met overgangsklachten (in combinatie met oestrogenen) kan Mirena op elk gewenst moment worden geplaatst.
Het plaatsen zelf duurt normaal gesproken maar een paar minuten en begint net als een inwendig onderzoek dat u misschien al eens heeft ondergaan. Omdat het inbrengen steriel moet gebeuren, worden de vagina en de baarmoedermond gedesinfecteerd. Met een zogenoemde kogeltang wordt de baarmoeder in de juiste positie gehouden waarna de Mirena wordt ingebracht. Hoe beter u zich kunt ontspannen, hoe minder u er van voelt. In overleg met de arts kunt u een plaatselijke verdoving krijgen of kunt u van tevoren bepaalde pijnstillers nemen.
